Voorwoord Cartoonist

(Hoe het ook met God zit, toeval bestaat. Wat zou er van mij zijn geworden als het toeval dood was?
In ieder geval zou ik geen cartoonist zijn.
Een sprong in de tijd:)

We schrijven 1978.
Ik zit tegenover een gerenommeerde filmproducent. Zijn kantoor is behangen met posters van vaderlandse films. De Nederlandse film leeft van subsidies en floreert als nooit tevoren. Ik, jonge regieassistent/scenarioschrijver, pluk daar ook de vruchten van. Ik zit in het kantoor om mijn geld te innen. Voor drieënhalve maand samenwerking ligt er een behoorlijk bedrag op me te wachten.
‘Zo Martin, we spreiden het bedrag over negen maanden,’ zegt de producent routineus. ‘En zo kan je meteen de WW in. Hier is het aanvraagformulier, pak aan.’
‘De WW in?’ reageer ik verbaasd. ‘Ik wil niet in de WW!’
De producent kijkt me onderzoekend aan. Ben ik soms niet goed bij mijn hoofd of (ben ik bang om te profiteren?) is dit nog een residu van mijn Oostbloktrauma?
‘Geen angst, Martin,’ stelt hij me gerust. ‘Zo doen we het hier allemaal. Film draaien, de WW in, film voorbereiden, uit de WW, film draaien, dan de WW weer in, enzovoort en zo verder.’
De corpulente producent heeft zichtbaar het beste met me voor. ‘Zelfs híj doet het zo,’ zegt hij vaderlijk en wijst op een poster van een icoon van de Nederlandse film, die het ene kassucces na het andere scoort.
Ik ben geschokt.
Ik ben gevlucht om vrij te zijn, om zo nodig alles en iedereen te mogen bekritiseren. Maar je bijt toch niet in de hand die je voedt? De Nederlandse bohemiens en kunstenaars vreten kennelijk van de vetbol die de staat voor ze ophangt. Het zijn tamme koolmezen.
(‘Schande!’) ‘Zum kotzen!’ roep ik. ‘Ik wil een vrije vogel zijn!’
‘Speel niet voor Don Quichote,’ waarschuwt de producent me voor het laatst. ‘Het is doodzonde van je talent. Wat ga je dan met al je ideeën doen?’
‘Dan word ik nog liever cartoonist,’ flap ik eruit en ik kijk er zelf van op.
‘O, kan je tekenen?’ vraagt de producent verbaasd.
‘Nee, maar voor papier en potlood hoef ik tenminste niet bij het Nederlandse productiefonds aan te kloppen. Dat kan ik zelf betalen.’
De man die het beste met me voor heeft begint nu hartelijk te lachen.
Alles aan hem schudt vrolijk mee. De as van zijn sigaret valt op het bureau; hij is een kettingroker.
‘En wáár ga je voor tekenen, als ik vragen mag?’
Terwijl ik het antwoord zoek, valt mijn oog op zijn manchetknopen, waarop zijn monogram staat gegraveerd.
‘NRC,’ antwoord ik.
De lachbui mengt zich nu met een hoestbui.
‘En wanneer begin je?’
‘Over drie maanden,’ hoor ik mezelf zeggen.
Hij steekt zijn vlezige hand naar me uit: ‘Dat is een weddenschap waard. Ik zet in op een kratje Mouton Rothschild 1968, het jaar dat je voor de Russen vluchtte, tegen een flesje slobberwijn van jou, akkoord?’ luidt zijn voorstel.
Zijn hand is nat. Deze weddenschap ga ik winnen.
Zelfs zijn hoestbui wordt door de belastingbetaler betaald, besef ik.
De tijd vliegt, dat was ook in de vorige eeuw al zo.
Veertien dagen later koop ik toch maar eens een NRC Handelsblad om te kijken waar ik voor ga tekenen.
Ik schrik. De krant is deftig, de opmaak is strak. Kleine letters en weinig foto’s.
Beslist geen Kamagurka op de voorpagina of Fokke&Sukke (binnenin) achterop, zoals nu.
Eigenlijk komt maar één pagina in aanmerking: de Achterpagina, die tot op vandaag bestaat.
Links lees ik een speels gedicht van Gerrit Komrij. Misschien rechts een klein tekeningetje op postzegelformaat? Gelukkig heb ik met de producent geen afspraak over de grote van mijn cartoon gemaakt.
Ik zoek in het colofon naar de naam van de redacteur die voor de Achterpagina verantwoordelijk is:
Arnold van Dijk.
Zijn telefoonnummer vind ik gewoon in het telefoonboek. Het waren andere tijden.
Ik wacht op inspiratie en draai het nummer.
Van Dijk neemt op. ‘Mét Már-tin Sí-mek,’ galm ik door de hoorn.
De stilte die volgt geeft aan dat ik uitsluitend op mezelf indruk heb gemaakt. Maar als tennisser weet ik dat je niet te vroeg moet inbinden als je een fout maakt. Ik zal het even uitleggen. Wanneer je als jong talent door de kwalificatie op Roland Garros komt en in de eerste rond Nadal treft en tijdens één van de eerste slagwisselingen de bal op zijn forehand speelt, maakt hij hem genadeloos af. Iedereen weet dat je het niet had moeten doen. Dat je alleen op zijn backhand moet spelen. En toch doe je er nog het beste aan om die fout dan nog een paar te herhalen, tot Nadal denkt: ‘Verdorie, weet die gozer eigenlijk wel dat ik Nadal ben?’ Want dat dénken, dat kan hem fataal worden.
Vandaar dat ik me door die ijzige stilte van meneer Van Dijk niet uit het lood laat slaan. Ik doe er nog een schepje bovenop:
‘Ik ben een Tsjechische tekenaar.’
De stilte verandert op slag van kwaliteit.
Wat ik niet weet, is dat er op dat moment drie succesvolle Tsjechische tekenfilmseries op de Nederlandse televisie zijn. Mijn televisie had ik namelijk al in 1972 bij de vuilnis gezet met het briefje ‘hij doet het’.
Maar Van Dijk weet het wel. (en denkt kennelijk ‘basketballers komen uit Amerika, haring uit de Noordzee, en tekenaars uit Tsjecho-Slowakije.’)
‘Wat kan ik voor u doen?’ vraagt hij.
Ik voel dat ik beet heb en word overmoedig.
‘Ik denk net andersom,’ zeg ik, ‘wat kan ik voor ú doen?’
‘U hebt gelijk,’ zegt Van Dijk, ‘komt u langs met uw werk.’
Nu ben ik niet meer te stoppen en hoor mezelf roepen. ‘Nee, waarom komt u niet langs op mijn atelier, want ik werk namelijk ook monumentaal.’ Dat woord had ik die week voor het eerst ergens gehoord en het had (een onuitwisbare) indruk om me gemaakt.
En alweer heb ik geluk. Van Dijk gaat er niet op in. Het lijkt hem ‘prematuur.’ Nog een woord dat ik nooit meer zou vergeten. Ik moest maandag maar bij hem langs komen met mijn werk.
‘Maandag aanstaande!?’ roep ik verschrikt en doe of ik mij agenda ga raadplegen. Ik heb geen agenda en al helemaal geen werk.
‘Nee, (ik dacht het al) ik was er al bang voor, maandag kan ik niet.’
‘Aanstaande donderdag dan?’ geeft Van Dijk me een tweede kans.
Die moet ik aannemen. (Ik heb tenslotte zelf gebeld.) Ik heb nog precies een week.
In de Gouden Gids zoek ik naar een winkel voor tekenaars. Van Beek op de Weteringschans, dat lijkt me wel wat. (Wanneer ik binnenkom) Bij binnenkomst zie ik (designers en kunstenaars) mensen met sjaaltjes en hoeden. Kunstenaars natuurlijk, net als ik, straks.
Ik zoek een vilstift uit voor 1 gulden 25 en vraag een pak faxpapier.
‘Is dat alles?’ vraagt de verkoopster een beetje minachtend.
‘Nee,’ zeg ik. ‘Doe maar nog negen pennen en nog negen pakken faxpapier.’
Als ik voor de NRC ga tekenen komen ze wel op, maak ik mezelf wijs.
‘En nog iets mevrouw: een tekenaarsmap. Zo eentje waar tekeningen in kunnen,’ voeg ik er (geheel overbodig) aan toe.
Als ik eindelijk in een oude, op straat gevonden, schoolbank op mijn kamer ga zitten, heb ik nog maar vier dagen.
Ik begin een hond te tekenen. Ik doe mijn best. Het duurt en duurt. Probeer het ook eens, als u nog nooit hebt getekend, uw best doen op een hond. Het duurt twaalf tot vijftien minuten. En als het af is, krijgt u de indruk dat u de hond ergens van kent. U tekent namelijk onbewust alle honden na die u als kind in uw kinderboeken bent tegengekomen. Het resultaat is een goulash van al die honden. Als toptennissers in iets op elkaar lijken, dan is het dat ze níet op elkaar lijken. Ze hebben een eigen stijl. Dat wist ik tenminste wel.
Weg dus met die nageaapte hond.
Ik moet mijn eigen stijl ontdekken en ik heb nog drie dagen.
Ik ijsbeer door mijn kamer.
Plotseling zie ik onze keuken in Praag vol stoom. Mijn moeder staat achter het fornuis knedlíky te koken in een enorme pan met water. De ramen zijn beslagen. Buiten is het min twintig graden. Ik probeer op een stoeltje te klimmen, om bij het raam te kunnen. Zo te zien ben ik zo’n jaar of twee.
Met een wijsvingertje begin ik op het beslagen raam te tekenen. Een rondje, een streepje voor de neus, twee puntjes als ogen en een halve maan als mond. Ik ben een vrolijk kind en wil dat het poppetje lacht. Maar hoe ik ook mijn best doe, nog voor ik met het lichaam van het mannetje klaar ben, loopt zijn gezicht uit. Het poppetje is niet langer vrolijk, het huilt. Ik probeer het opnieuw en opnieuw, net zo lang tot ik zo snel kan tekenen dat ik het poppetje tenminste één seconde kan zien lachen.
Achtentwintig jaar later besef ik het ineens: ik kan dus tekenen en heb een eigen stijl. Want als je heel snel tekent, kan je niemand nadoen.
Met nieuw elan begin ik aan een hond. Rats-rats-rats, vijf seconden en de hond is klaar.
Ik bekijk hem. Het is geen hond. Het lijkt er zelfs niet op.
Ik maak een prop van het A4tje en gooi het op de grond.
Een uur later zit ik middenin een winterlandschap van papieren sneeuwballen.
Mijn rug doet pijn, maar ik geef niet op.
Nog eens en nog eens: rats-rats-rats. Geen hond, maar wel een poes.
Ik schrijf er een tekstje bij. Iets wat bij een poes pas.
Ik leg mijn eerste tekening voorzichtig in mijn tekenmap.
De resterende dagen blijf ik op dezelfde manier te werk gaan.
Ik teken een hond en laat me telkens verrassen door wat er na zoveel keer (tevergeefse vijf seconden) intuïtieve vijf seconden uiteindelijk op papier verschijnt. Karl Marx bijvoorbeeld opeens. Zo levensecht dat ik even bang word. Wie uit het Oostblok komt weet waarom. We werden daar met hem doodgegooid. Ik was bezig aan een schurftige hond en plotseling: daar was hij, met zijn bos haar en lange baard.
Marx was ervan overtuigd dat als de kapitalisten stoppen met de arbeiders uit te buiten, de wereld een culturele revolutie zou ondergaan. Iedereen zou gaan schrijven, dichten, musiceren, zingen, dansen en toneelspelen. In dat laatste bleek hij trouwens gelijk in te hebben. De tekst bij de buste van Karl Marx is snel gemaakt: ‘Tegen de tijd dat de vibrators het werk gaan doen, krijgen de lullen de tijd om zich cultureel te ontwikkelen.’
Van woensdag op donderdag slaap ik niet.
Als ik eindelijk voor de deur van Arnold van Dijk in de chique Concertgebouwbuurt sta, heb ik in mijn map zevenentwintig tekeningen. Meneer van Dijk woont op de begane grond. Ik bel aan, merk dan pas dat het prijsje nog op mijn tekenmap zit en begin het er zenuwachtig met mijn vrije hand vanaf te peuteren.
De deur gaat open, maar ik kijk in het luchtledige en ga dus door met peuteren.
Op dat moment voel ik iemand aan mijn map trekken.
Ik kijk omlaag en zie een klein, kaal mannetje met vrolijke, nieuwsgierige priemoogjes.
Hij laat mijn map los en zegt: ‘Je hebt gelijk. Eerst thee, of wil je koffie?’
Even later mag ik plaatsnemen in de zitkamer. Ik krijg de kans om rond te kijken, terwijl hij fluitend in de keuken bezig is. Ik zie een Joodse kandelaar. Aan de muren zwart-wit foto’s met een kartelrandje van lachende jonge mensen. Waarschijnlijk Van Dijks familieleden, die vermoedelijk niet de kans hadden gekregen veel ouder te worden dan op de foto’s.
Mag ik iemand met dit verleden belazeren?
Nee, concludeer ik, en wil de map met tekeningen pakken en wegrennen. Maar daar is de koffie al.
Ik krijg mijn kopje en meneer Van Dijk slaat mijn tekenmap open.
Er speelt zich een film op zijn gezicht af.
Eerst denkt hij nog aan een grap. Hij bladert snel door. Maar al gauw verlaat zijn blik de tekeningen en kijkt hij in de verte alsof hij beelden ziet.
Dan gaan zijn ogen langs de foto’s aan de muur terwijl hij de map dichtklapt.
Tenslotte kijkt hij me aan en zegt: ‘Over een week mag je beginnen.’

Later, toen we vrienden waren geworden, heb ik Nol eens gevraagd: ‘Maar zag je niet dat ik niet kon tekenen?’
‘Nou, dat was niet zo moeilijk,’ zei hij, ‘maar ik dacht: dat leer je wel.’
Nu ik er aan terugdenk, liet hij me eigenlijk niet meteen met tekeningen beginnen.
Hij zei: ‘Die tekstjes van jou zijn leuk, kinderlijk. Waarom maak je niet een soort versjes, een stuk of vier onder elkaar, die telkens op dezelfde manier beginnen?’
‘Met “Er was eens…” bijvoorbeeld?’ vroeg ik.
‘Ja, dat is het helemaal!’ riep hij enthousiast. ‘(Lekker kinderlijk.) En alles met de hand geschreven. Ja, zo doen we het: “Er was eens” door Martin Simek. En vergeet vooral dat vogeltje boven de S niet. Daarmee is het af.’
Een van die versjes weet ik nog: ‘Er was eens een muizenval. Hij moest op muizen vallen. Hij wilde niet en gaf zacht toe: ik val op muizenvallen.’
En tussen die versjes mocht ik van meneer Van Dijk pijltjes tekenen die elkaar ontmoetten, of juist net niet, of in elkaar verstrikt raken.
‘Gaat je dat lukken?’ vroeg hij nog bezorgd.
Toen ik wat maanden later echt met tekenen mocht beginnen lag Van Dijk meteen onder vuur.
Of hij niet te veel hasj rookte, vroeg de hoofdredactie zich af.
Dus ging Van Dijk voor mijn emplooi ook elders zoeken.
Binnen een paar maanden was ik een gevestigde tekenaar. Daar had de hoofdredactie niet van terug.
En er was zelfs een Haagse kunstverzamelaar die de originelen van al die tekeningen in de NRC heeft gekocht. Dat hij een psychiater was heeft Nol de hoofdredactie nooit verteld.
Dat ik later ook voor De Volkskrant en Het Parool heb getekend, was voor Nol een grote voldoening.
En dat ik in het studentblad Propria Cures jarenlang de huistekenaar was ervoer ik zelf als een grote eer.
Maar mijn leven ging stormachtig verder. Ik werd een proftenniscoach en reisde de wereld over.
Tekenen heb ik achter me gelaten, alleen één blad bleef ik trouw: De Groene Amsterdammer, onafhankelijk vanaf 1877. Voor de Groene maak ik nog altijd iedere week een cartoon, vanaf 1986 al. Niet één keer overgeslagen, waar ter wereld ik me ook bevond.
Dat voer ik daar waar nodig altijd als bewijs van mijn betrouwbaarheid aan, en dat je op me kan rekenen, als ik het wil.

Schermafbeelding 2014-09-14 om 14.51.09
Theateragenda
  • No Events
Cartoons van Anone